top of page
Oefeningen Malak
Oefeningen Adam
Maateenheden
Oefeningen begrijpende luisteren
Dictees

Spellingsregel 1 : 'ei' en 'ij'
De woorden met ‘ei’ moet je echt van buiten leren of onthouden. Je vindt ze op pagina 73 van jouw boek in het ei-lied en in de ei-brief.
 

Ei – eigen- zeil – eiland – reis – klei – allebei – eieren – meid – geheim – allerlei – meisje – einde – eigen – eindelijk – leider – geleidelijk – keizer – eigendom - klein – geheimzinnig – eigennaam – afreis – eigenlijk – paleis – eindelijk – trein – terrein – eigenaar – weide - heide

 

De andere woorden schrijf je met een ‘ij’ zoals in blij of in ijsje. Die moet je niet onthouden als je die ‘ei’ -woorden al van buiten geleerd hebt.
Spijtig – tijd – tegelijk - nijdig – vrij – tijdelijk – hij - gelijk – lelijk – afgrijselijk – wij – zij - wijs

 

Doe nu het dictee. Klik op het pijltje. Zet de luidspreker op en schrijf de woorden. Verbeter nadien jezelf. De woorden uit het dictee staan hierboven.

Dictee woorden met ei of ij

Luistertoets 1: Vraagjes bij fragment ‘Pompoensoep met balletjes

Klik op het fragment over 'tomaten-pompoensoep met balletjes'. Kijk en luister aandachtig. Beantwoord nadien de vragen. Schrijf een volledig antwoord op, dus een volledige zin. Dat doe je door de vraag in het antwoord te herhalen. Voorbeeld (zie vraag 1): De basis van elke soep is volgens Sofie ......... Elke zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt. Nog een voorbeeld (vraag 2): Tomaat, pompoen en wortel passen zo goed bij elkaar in een soep omdat ........


1. Wat is volgens Sofie de basis van elke soep?


…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
2. Waarom passen tomaat, pompoen en wortel zo goed bij elkaar in een soep?


…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
3. Wanneer eet Willy altijd soep? Waarom juist dan?


…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
4. Hoe laat komt Willy meestal thuis op zaterdagavond? Hoe komt het dat dit zo lang duurt?


…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
5. Wanneer kookt Willy voor zijn vrouw? Wat maakt hij dan klaar?


…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
6. Welke kruiden moeten er in de soep?


…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

7. Hoeveel eetlepels tomatenconcentraat moeten er in de soep?


…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………
8. Welk vlees gebruikt Sofie voor de balletjes?


…………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

Dictee 'ei' en 'ij'

Dictee Woordpakket 1 
 

het eiland - verdwijnen - het nieuws - de klauw - het meisje - het lawaai - bouwen - jij snauwde - reizen - moeite - de schouder - hij duwt - altijd - de prooi - het vrouwtje - de schaduw - dikwijls - hij schreeuwde - augustus - uw

 

Doe het dictee. Klik op het pijltje. Zet de luidspreker op en schrijf de woorden. Verbeter nadien jezelf. De woorden uit het dictee staan hierboven.

Dictee Woordpakket 1
Dictee Woordpakket 1

Dictee Woordpakket 2 
 

de lentedag - hij jaagt - dankbaar - babbelen - de aandacht - betalen - het spelletje - de glimlach - de rugzak - de geweren - bibberen - het dochtertje - het vliegveld - oktober - de kanonnen - de kachel - de leerling - sturen - de knuffel - ik droeg - 

 

Doe het dictee. Klik op het pijltje. Zet de luidspreker op en schrijf de woorden. Verbeter nadien jezelf. De woorden uit het dictee staan hierboven.

Dictee Woordpakket 2
Dictee Woordpakket 2

Luistertoets 2: Vraagjes bij fragment ‘Slimme Lotje

 

Open de browser en klik op de link 'Slimme Lotje'. Eerst zie je een advertentie (reclame) en dan speelt het You Tube filmpje af. Kijk en luister aandachtig. Beantwoord nadien de vragen. Schrijf een volledig antwoord op, dus een volledige zin. Dat doe je door de vraag in het antwoord te herhalen. Voorbeeld (zie vraag 1): Er staat een ....... voor de deur. Elke zin begint met een hoofdletter en eindigt met een punt. Nog een voorbeeld (vraag 2): Lotje gaat eerst naar ......
 

1. Wat staat er voor de deur?

 

2. Waar gaat Lotje eerst naartoe?

 

3. Waar ziet Lotje de reisheks?

4. Wat zit er in de koffer van Lotje?

 

5. Wat moet Lotje meenemen volgens de brief? Duid de juiste voorwerpen aan.

* poes 
*toverstok
*toverboek
*stoel
*appel
*peer
*zakdoek
*ketel​

 

6. Wat zag de kat van Lotje? ______________________

 

7. Waarom kan Lotje niet meer vliegen?

 

​8. Wie maakt de mooie muziek? __________________________

 

9. Vindt de Kookheks de spinazie met sprinkhanen lekker?

 

​10. In welke volgorde komt ze de volgende heksen tegen? Zet een nummer voor elke heks.

 

...... Knutselheks ......... Kookheks ........ Muziekheks ....... Slaapheks

 

 

11. Zet een kruisje achter de heks die Lotje kan helpen. (bij vraag 10)

Dictee Woordpakket 3

Dictee Woordpakket 3
 

aandachtig - mistig - verdrietig - bezig -  zenuwachtig - moedig - droevig - ongelukkig - ik verkondig - grappig - stevig - toevallig - gelukkige - vorige - hevige - zonnige - onschuldige - prettige - rustige - haastig - 

 

Doe het dictee. Klik op het pijltje. Zet de luidspreker op en schrijf de woorden. Verbeter nadien jezelf. De woorden uit het dictee staan hierboven.

Dictee Woordpakket 3
Anker 1
Dictee Woordpakket 4

Dictee Woordpakket 4
 

woordpakket - tegelijk - eigenlijk - de eilanden - lijkbleek - het onderwijs - hij eindigt - geheimzinnige - spijtig - de leiding - scheiden -  weinig - belangrijkste - bewijzen - eindelijk - paardrijden - heilig - stokstijf - hij bereikt - tijdens - de woestijn 

 

Doe het dictee. Klik op het pijltje. Zet de luidspreker op en schrijf de woorden. Verbeter nadien jezelf. De woorden uit het dictee staan hierboven.

Dictee Woordpakket 4
Anker 2
Anker 3
Dictee Woordpakket 5

Dictee Woordpakket 5
 

bekijken, de leeftijd, het medelijden, ontwijken, het ravijn, de strijd, tevoorschijn, de wijk, giechelen, de hersenen, naderen, veranderen, aardig, lastig, ernstig, geweldig, nodig

 

Doe het dictee. Klik op het pijltje. Zet de luidspreker op en schrijf de woorden. Verbeter nadien jezelf. De woorden uit het dictee staan hierboven.

Dictee Woordpakket 5

Rekenen: vermenigvuldigen en delen 1 
Doe de oefeningen. Je kan jezelf controleren, want DELEN IS HET OMGEKEERDE VAN VERMENIGVULDIGEN.
Voorbeeld: 10 :2 = ......  Als het 5 invult, dan kan je 5 x 2 = .... doen ter controle. 

Schermopname (890).png
Schermopname (891).png
Delen 1
bottom of page